Slaapstoornissen

Slaap is voor veel mensen zo gewoon dat ze er pas bij stilstaan als ze er problemen mee hebben. Dit laatste geldt daadwerkelijk voor ongeveer een-derde van de Nederlanders tussen 18 en 70 jaar. Bovendien geeft bijna de helft van onze bevolking aan een uur minder te slapen dan het aantal uren dat ze zeggen nodig te hebben.

Recente resultaten van een representatieve steekproef onder de Nederlandse bevolking [1] laten zien dat 32,1 procent van de 18- tot 70-jarigen een significant slaapprobleem heeft, blijkens hun scores op een klinisch gevalideerde diagnostische vragenlijst [2]. Dit percentage komt vrij nauwkeurig overeen met prevalentiecijfers voor subjectieve klachten over de kwaliteit van de slaap, vastgesteld bij steekproeven onder de bevolking van tien landen uit vier verschillende continenten [3], en afgeleid van een groot aantal epidemiologische studies en samengevat in een overzichtsartikel van Partinen en Hublin [4]. In alle gevallen hangen de prevalentiecijfers overigens sterk samen met leeftijd, geslacht en ethniciteit. Met betrekking tot de Nederlandse cijfers valt bijvoorbeeld op dat de prevalentie het hoogst is onder 18- tot 24-jarigen (45,6%), en dan met name onder de vrouwen (52,7%). Bovendien zijn prevalentiecijfers sterk gerelateerd aan medische en psychiatrische stoornissen zoals hypertensie, cardiovasculaire en cerebrovasculaire ziekten, diabetes, ADHD en depressie. Bij de navolgende bespreking van de specifieke slaapstoornissen wordt meer in detail ingegaan op de prevalentie.

Terwijl ongeveer een derde van de volwassenen weleens last heeft van voorbijgaande insomnie (slapeloosheid), kampt één op de tien met chronische insomnie, dat wil zeggen: ernstige slaapklachten gedurende ten minste drie dagen per week, voor een periode langer dan drie maanden (DSM-5). Voor de Nederlandse bevolking geldt een percentage van 8,2. De prevalentie van insomnie bij vrouwen is ongeveer anderhalf maal hoger dan die bij mannen, vooral na het begin van de menopauze. 65-plussers klagen relatief vaak over slapeloosheid; ruim 30% van deze ouderen heeft een vorm van chronische insomnie [5]. Hierin speelt de chronologische leeftijd waarschijnlijk slechts een ondergeschikte rol. De oorzaak moet eerder worden gezocht in medische en psychosociale risicofactoren zoals chronische pijn, cardiovasculaire en respiratoire ziekten, dementie en ook de verhoogde kans op depressie- en angstproblematiek en traumatische ervaringen zoals het overlijden van de levenspartner. Voor kinderen (6 maanden-18 jaar), ten slotte, wordt het vóórkomen van insomnie geschat op 10 tot 30%, afhankelijk van de definitie die wordt aangehouden. Gewoonlijk wordt niet door het kind zelf, maar door zijn ouders hulp gezocht. Het is daarom van groot belang om bij het beoordelen van het slaap-waakgedrag van het kind ook dat van het gehele gezin te betrekken [6].

Klachten over hypersomnolentie, bijvoorbeeld in slaap vallen tijdens een gesprek of (bijna-) ongelukken tijdens het autorijden, komen voor bij 3 tot 5% van de oudere volwassenen, zonder onderscheid tussen mannen en vrouwen. Voor de Nederlandse bevolking geldt een overall percentage van 5,9. Narcolepsie komt zeer zelden voor bij 0- tot 5-jarigen en begint meestal in de adolescentie. Prevalentiecijfers voor de Verenigde Staten en West-Europa schommelen om en nabij de 0,1%, met een licht verhoogde prevalentie voor mannen.

OSAS (obstructieve slaap apneu syndroom) komt het meest voor in de leeftijdsgroep van 40 tot 65 jaar, met een prevalentie van 4% bij mannen en 2% bij vrouwen. Voor de Nederlandse bevolking geldt een overall percentage van 7,1.

De prevalentie van circadiane ritme slaap-waakstoornissen in Nederland is 5,3. Onder adolescenten en jongvolwassenen wordt de prevalentie van het verlate-slaapfasesyndroom geschat op ongeveer 2%. Het vervroegde-slaapfasesyndroom komt veel minder voor en vrijwel alleen bij volwassenen van middelbare of hogere leeftijd. Het ploegendienstsyndroom, ten slotte, treedt op bij ongeveer 10% van de ploegendienstwerkers.

De gepubliceerde prevalentiecijfers voor de verschillende parasomnia’s lopen sterk uiteen, deels in de hand gewerkt door onbetrouwbare zelf-rapportages. Voor de Nederlandse bevolking geldt een overall percentage van 6,2. Slaapwandelen en pavor nocturnus komen vooral bij jonge kinderen veel voor en verdwijnen meestal rondom het twaalfde levensjaar. De prevalentie van pavor nocturnus wordt voor de leeftijdsgroep 3-10 jaar geschat op 14-20 procent. Nachtmerries komen veel voor bij jonge kinderen (leeftijd 3-5 jaar). Onder volwassenen is de prevalentie van frequente nachtmerries (minstens een keer per week) geschat op vijf procent. Bovendien is een sterke samenhang met psychiatrische problematiek geconstateerd, vooral stemmingsstoornissen en suïcidaliteit (zie: Partinen & Hublin, 2011).

De prevalentie van het rustelozebenensyndroom (RLS) is hoog, vooral onder ouderen, en varieert tussen 5% en 15%, onder meer in samenhang met ziekte (> 20% bij nierpatiënten en zwangeren). RLS wordt bij vrouwen anderhalf- tot tweemaal zo vaak gevonden als bij mannen. PLMD (periodieke beenbewegingen tijdens de slaap) treedt meestal (80-90%) op in combinatie met RLS. In Nederland heeft RLS-PLMD een hoge prevalentie, namelijk 12,5%.