Ochtend-, Avond- of Dagmens?

Hoeveel moeite zou je ermee hebben om ´s morgens altijd om halfzes uur te moeten opstaan, of ‘s avonds pas om één uur naar bed te mogen? Kom je tijdens je vakantie ’s morgens vroeg als eerste je tent uit of blijf je liggen totdat de zon je de tent uitbrandt? Tenminste een deel van de antwoorden op deze vragen wordt bepaald door je typering als ochtend- of avondmens. En dit hangt weer samen met het functioneren van je biologische klok.

Uit representatief onderzoek onder de Nederlandse bevolking van 18 tot en met 70 jaar is gebleken dat ongeveer 7% scoort als uitgesproken ochtendmens, en 10% als uitgesproken avondmens (er is dus een grote middengroep, hier aangeduid als ‘dagmensen’). Deze extreme groepen verschilden niet wat betreft de man-vrouw verhouding, maar wel wat betreft hun leeftijd. De groep ochtendmensen was gemiddeld ruim 10 jaar ouder dan de groep avondmensen. Dit verschil komt voort uit onze normale ontwikkelingsgeschiedenis: vanaf het moment dat ons biologisch klokmechanisme operationeel is (enkele maanden na de geboorte) tot aan het begin van de puberteit, vertonen kinderen het gedrag van ochtendmensen. Daarna ontwikkelen ze zich in enkele jaren tijd tot avondmensen (vrouwen iets eerder dan mannen), en bereiken de hoogste score op de leeftijd van jong-volwassenen. Daarna keert de ontwikkeling om en gaat heel geleidelijk terug richting het gedrag van ochtendmensen.

De gemiddelde ochtendmens geeft aan overdag minder moe te zijn en beter te functioneren dan de gemiddelde avondmens. Waarschijnlijk hangt dit samen met de significant hogere scores van avondmensen op een gevalideerde vragenlijst die de aanwezigheid van een slaapstoornis meet. Dit kan weer samenhangen met een verschil in slaapstructuur. Avondmensen blijken hun slaapschuld overdag minder snel op te bouwen dan ochtendmensen. Het duurt dus langer totdat ze ’s avonds een zodanig hoge slaapschuld hebben opgebouwd dat ze slaperig genoeg zijn om makkelijk in te slapen. Slapen ze eenmaal, dan bouwen ze hun slaapschuld ook weer trager af. Als avondmensen dan vanwege school of werk vroeg uit de veren moeten, kampen ze nog met een ‘restschuld’ aan slaap.

Vandaar dat avondmensen de weekends gebruiken om bij te slapen (gemiddeld 1 uur meer dan doordeweeks), veel meer dan ochtendmensen (gemiddeld een kwartier meer). Maar dat betekent wel dat avondmensen telkens flink schuiven met hun slaaptijden: bij het begin van het weekend gemiddeld (minstens) 1 uur naar een latere tijd, en bij het begin van de werkweek weer (minstens) 1 uur terug. Vaak schuiven met slaaptijden verzwakt de stabiliteit van de biologische klok en verhoogt daarmee het risico op gezondheidsschade.